Als ik al gedacht zou hebben (maar er zijn meer dingen waar ik niet aan denk dan je zou denken) dat het raar is om mensen in je huis te hebben wonen terwijl jij er niet bent, dan hebben Chantal en Richard vooralsnog het tegendeel bewezen. Het is hartstikke leuk.
Nou kun je natuurlijk gasten hebben die zout leggen op alle spinnen, kevers en insecten waar je de naam niet van weet maar die hoe dan ook liever binnen bivakkeren dan buiten. Op het ontbrekende tegeltje in de badkamermuur dat een stokoud stuk waterleiding onthult. Op veertig lichtschakelaars waarvan er maar vier iets doen. Op donderend geraas van rollende hazelnoten onder de dakpannen (uiteraard wanneer je al slaapt).
Maar nee, we krijgen steeds behoorlijk blije (en vaak prachtige, zie boven) foto’s toegeappt van water, zonlicht, bruschette en een ree op Gino’s terrein. Dus ofwel ze kroppen al hun frustratie op en komen straks als twee donderwolkjes terug, ofwel ze zijn net zo tevreden en gelukkig als wij daar meestal zijn (met als geluksbonus dat ze niet zelf hoeven te klussen).
Ik denk stiekem wel het laatste hoor.
Mi faceva capire il commento di Daniela sul mio scorso blog che magari anche in Italia c’è chi legge attentemente le mie effusioni personali online. Perció ho deciso che ora tocchi agli olandesi di rompersi la testa sulla traduzione di Google. Si credono sempre cosí bravi, dai, ce la faranno.
a passare dal pensare di capire
per la via di non più capire niente
fino a dove non c'è modo né bisogno
di capire
sì ci vuole
che capisca che cercare di dormire
per la via dello sforzo della mente
non ti porta né il riposo né il sogno
né il capire
che ci vuole:
stare fermo far passare
i tuoi passi da passante
che i rumori ti riempiano
la testa come già
ti sei lasciato riempire
dalla sola realtà
Opeenvolgende coaches van Damiano, toen die nog honkbalde, plachten de uitdrukking ‘kijk de bal aan’ te bezigen. Daar maakte ik me dan vrolijk over – net als over ‘denk middenveld’, of ‘verdedigen’ (dit laatste betekende gek genoeg dat je zo hard mogelijk tegen de bal moest slaan, volgens mij toch de essentie van honkbal).
Maar vanochtend bedacht ik me dat het eigenlijk een mooie les is. Als je daar staat hoef je niets te doen dan te kijken hoe de bal de handschoen van de pitcher verlaat en recht op je afkomt. Je hebt zó weinig tijd om te reageren dat je al bijna moet slaan voordat je weet of dat ding over de plaat zal komen. Als je veel getraind hebt, op je houding, op hoe en waar je de knuppel vasthoudt, reageren heel je lichaam en geest in één grote reflex.
Op de foto hierboven zie je wat we vorige week boven op de Gotthardpas zagen. Het is niet de weg naar beneden voor de toeristen op weg naar Duitsland, maar hij is prachtig. Alsof je een stuk van je toekomst kunt overzien: daar links start je en daar helemaal rechts kom je aan in het dal.
Alleen: dat is niet wat er gebeurt. Een afdaling bestaat uit een oneindige reeks momenten, waarin je moet schakelen, remmen, gas geven, sturen. Elk moment moet je de bal aankijken en doen wat er moet gebeuren. Anders val je dood. En als je in het dal aankomt, is dat ook maar weer een moment dat verschijnt en meteen weer verdwijnt, niet die prachtig kronkelende weg. De weg is maar een plaatje in je hoofd.
Ja, lekker allemaal. Maar onze afdaling bestond toch vooral uit het achterna tutteren van een oneindige reeks auto’s, krampachtig remmend precies wanneer ik de rem even losliet. En ik wilde graag voor het donker in Frankenthal zijn, dus ik zag die vijfhonderd kilometer lange weg héél goed voor me. En het was nog niet eens zo’n mooie ook.
En in de hotelkamer in Frankenthal bleek de airco stuk.
Cyrano, the making of. Cortemilia, de binnenplaats van La Corte di Canobbio, augustus 2022
Vandaag eens iets fijn banaals: de plee is verstopt. Hij trok eergisteren al niet door en ik had de heertjes verzocht hun behoefte in de kleedhokjes-wc te doen. Damiano had dat onthouden, Christian niet. Dus gisterenavond trof ik het resultaat van een de hele dag snackend en snoepend kind aan. Jammer.
Willy gebeld. Natuurlijk, niemand onderneemt hier iets zonder Willy. Maar ja, die zit al een maand thuis met een gebroken enkel plus pols gestoord te worden omdat hij normaliter 24/7 aan het werk is. Ik was er van de week met Damiano samen op de koffie – hij heeft een mooi groot natuurstenen huis in het dorp. Daar woont-ie samen met zijn vrouw, die ongelogen anderhalve kop kleiner dan Chris is. Wat ze dan weer goedmaakt met gepeperde meningen, maar dat allemaal terzijde.
Nou is Willy’s vaderlijke verantwoordelijkheidsgevoel richting ons behoorlijk groot. Wij zijn zo’n beetje zijn geliefde aangenomen, hoewel nogal onnozele en weinig capabele kinderen. En die rol koesteren we, zo opportunistisch zijn we dan ook wel weer.
Dus toen ik vanmiddag stond te praten met Giulio, die we gaan inhuren om twee keer per jaar het terrein te maaien (in Nederland ben ik voortdurend bezig om het groen te beschermen, hier ben ik er voornamelijk mee in oorlog – maar daarover meer in een volgende aflevering) kwam hij ineens aangestrompeld, met een stok en een echtgenote die wantrouwig op de oprijlaan in de auto zat te kijken of haar man niet weer domme dingen ging doen.
Na enige gerommel kregen we het water in de wc toch weg, maar volgens Willy móet de septic tank (da’s bij ons gewoon een betonnen put hoor) nu echt schoongemaakt. Weer een klus erbij dus, en een behoorlijke, omdat niemand precies weet waar dat ding ingegraven is. Afijn, Giulio kende weer iemand die iemand kende, dus dat komt uiteindelijk wel goed.
Zondagmiddag gaan we richting Oss. Maar eigenlijk kom ik steeds beter in het ritme: werken voor de baas, aperitiefje drinken, boodschappen en huishouden doen, de jongens aan het werk zetten, klussen op het terrein, samen aperitiefje drinken.
Het wordt hier langzamerhand als thuis. Maar dan een thuis-met-extra-plezier-en-extra-zorgen. Ik kijk uit naar m’n piano, maar ook alweer naar oktober.
Ze rusten met het hoofd in de schaduw. Gelukkig maar, het is op dit dodeneiland heel warm. En alleen met een koel hoofd is het kabaal van de krekels in de cipressen te verdragen, zelfs als je dood bent denk ik. Isola di San Michele, prachtig eilandje aan de noordkant van het ‘vasteland’ van Venetië. Het ontroert me om hier weer te staan – niet meer zo als als de vorige keer, nu ik het rondje loop met een babbelgraag pubertje, maar toch.
Judith en Damiano zitten bij de boothalte op de koffers te passen, we gaan ze zo aflossen. Vanochtend uitgecheckt, dus alles mee. Dat is een heel gedoe op die overvolle ‘vaporetti’ waar we ook nog mee naar Murano zijn geweest (ik had de kinderen gelokt met het glaswerk én de gekleurde huizen – maar die laatste zijn op Burano). We zijn alle vier vermoeide toeristen vandaag, van goede wil maar vooral levend van flesje water naar flesje water naar hoekje schaduw.
Ze vinden het wel mooi, Venetië, maar het euforische gevoel dat mij in deze magische stad altijd overvalt, delen ze niet. Ook niet in de koele, hoge hallen van het Arsenaal waar het mooiste deel van de Biënnale staat uitgestald. Hoewel, gisterenavond waren ze toch wel betoverd toen we na zonsondergang een ijsje aten op een aanlegplaats in het Canal Grande. Betoverd op z’n 2022’s natuurlijk hè, niks kleffigs of zo.
Natuurlijk weet ik ook wel dat deze stad steeds meer een openluchtmuseum is geworden, bedreigd door zout, hoogwater en veel te veel toeristen. Maar ik ben er verliefd op, op die totale onderdompeling in lucht, water en licht; de stilte (echt waar) in grote delen van de stad, zonder fietsen en auto’s, de doolhoven van steegjes en straatjes waar je geen honderd meter dezelfde richting uit kunt lopen.
Maar goed, zoals gemeld in het vorige bericht was het lastig om ontspannen te genieten dit keer, vooral voor Laura. Die na het bericht van haar broers prostaatkanker met bloedend hart afreisde naar Rome. Daarna ging de rest van het gezin dapper verder met sightseeën, maar de sju was er een beetje af en de terugreis naar Cortemilia door allen verwelkomd.
Stel je voor: je staat aan de rand van een niet al te brede sloot. In die sloot zwemt een mensenetende haai (de sloot is natuurlijk wel heel diep hè, die haai moet ook een beetje kunnen zwemmen). Om de een of andere reden moet je naar de overkant. En springen is de enige manier om dat te doen. Er is geen enkele reden waarom je in de sloot zou vallen en het loodje legt: het is maar een kleine sprong. En toch. Je staat je daar zwetend af te vragen of het wel kan. Of je niet zult struikelen terwijl je springt, of dat je toch ineens door een bijzonder soort zwaartekracht naar beneden getrokken zult worden. Je spieren zijn onnodig strak gespannen, je geest meer gefocust dan nodig. Terwijl de opgave toch zo eenvoudig is.
Net terug van een vakantie in een vakantie. Maandag kwamen Judith en Damiano aan in Venetië, de een ’s middags vanuit Rome met de trein, de ander ’s avonds met het vliegtuig uit Lissabon. De een zoals gebruikelijk gebronsd en ontspannen, de ander nog niet bijgekomen van het doorzakken in Albufeira. Het moderne gezin.
Alles loopt dit jaar anders dan anders (maar wanneer niet eigenlijk?) Drie dagen in Cortemilia met z’n drieën, nog in de roes van werk en andere beslommeringen, voorbereiden, reizen. ’s Morgens om kwart over vijf, boven de heuvels aan de overkant van de vallei wordt het net licht, de eerste duik in het fluweelzachte water van het eerste zwembad, pas veel later oppert Laura dat we ook de sleutels hebben van het chalet daar. Who cares, alle nachtelijke monotonie spoelen we van ons af.
Rondje lopen rondom het huis. Mijn geest registreert onmiddellijk dat Gino het gras voor het huis heeft gemaaid, net als zijn eigen terrein, dat er prachtig bij ligt. En ook: de rommel, het vuil, alles wat moet en alles wat zou kunnen en alles wat we zeker niet gaan doen. Schakel terug, zet koffie, begin de dag.
We komen deze eerste dagen het terrein bijna niet af (in Nederland zou ik gezegd hebben: de deur niet uit – maar dat is hier een hopeloos understatement). Laura gaat de onroerend goedbelasting betalen op het gemeentehuis, ik betaal online een verkeersboete van vorig jaar, de opstalverzekering en nog zo wat. Hoewel we van alles doen staat de tijd in de wachtstand. We brengen alles op orde, van de keuken uit naar buiten, in steeds groter wordende cirkels – dat lijkt een goede strategie. Voorlopig niet verder dan een meter of twintig rondom het huis, de rest is voor later. Behalve om de pruimenbomen te inspecteren, en de hangmat (in onze afwezigheid is een van de twee bevestigingsbanden gestolen, alweer wat geleerd voor de volgende keer), en het afval dat de zwembadmensen achter hebben gelaten.
Mijn geest blokkeert automatisch alle inkomende gedachten rondom werk en huis in Oss. Zelfs al blijf ik m’n inkomende privé-mail lezen en antwoord ik op een verdwaalde Whatsapp van een van mijn opdrachten. Ik ben benieuwd of en wanneer alles weer terugkeert. Pas na een paar dagen komt de vermoeidheid. Zoals met alles is het ook daarmee een kwestie van in het gezicht aankijken, verwelkomen, accepteren, en dan laten gaan.
Dat geldt ook voor de berichten die arriveren, zo rond Christians verjaardag: een oom van Laura overlijdt, nonna is gevallen na een hersenbloeding en ligt in het ziekenhuis, zio Paolo heeft een verhoogde PSA-waarde (en blijkt een week later prostaatkanker te hebben, een trombose in het been én een longembolie). Laura reist naar Turijn voor de begrafenis van haar oom – en is vanaf dan verzonken in gedachten. Hoe zeer ze ook probeert vast te houden aan het vakantiegevoel.
De plannen veranderen nu per dag: meteen naar Rome afreizen, even wachten, vanuit Venetië gaan, of eerst samen terug naar Cortemilia en genieten van de enige vakantieweek die we met z’n vijven hadden gepland. Uiteindelijk kiest ze ervoor om in elk geval met ons naar Venetië te gaan. Een vakantie in een vakantie. En dan verder kijken.
Donderdag is ons huis een beetje meer thuis geworden. De keukenmuren zijn iets tussen aardbei- en kersenrood in geverfd (dat is veel leuker dan het klinkt) en we hebben de woonkamer een beetje huiselijker gemaakt. Hadden we minder koude voeten, het was een klein paradijsje.
Ook een rustige dag wat intermenselijk contact betreft. Ik heb met buurman Gino van Cortemilia naar Prunetto gewandeld, een kilometer of vijftien over de rug van de heuvel die de vallei van de Bormida scheidt van die van de Uzzone – ok, dat interesseert je geen bal, maar ik vind het fijn om langzamerhand iets te snappen van de geografie hier. Laura ging ondertussen met een dik pak bankbiljetten afrekenen bij de timmerman resp. de witgoedman. Nee, je mag niet weten waarom dat contant moest.
Kerkje in Prunetto
Geluncht aan de rand van het nog niet bestaande zwembad, een kwartiertje in de zon liggen dutten, even langs de uitbottende fruitbomen in de tuin gewandeld en dus wat geklust. Om vijf uur kwam viavia-Daniel kijken of er nog iets van waarde in onze geërfde wijnvoorraad zit: dat viel niet tegen, omdat we al dachten dat dat niet zo zou zijn. Hij heeft een fles of twintig apart gelegd die ‘mogelijk’ nog goed drinkbaar zijn. Vooral Barbaresca en een paar flessen Riesling. En terwijl Laura kookte deed ik nog wat achterstallig werk voor Nederlandse gemeenten. Die moeten immers ook vooruit.
Bidden helpt dus ook al niet. Tot Venlo ging het goed: donker, stil, koud maar steeds behaaglijker. Een beetje groggy van het vroege opstaan, maar net wakker genoeg om in een haast meditatieve staat te raken van het monotone geluid van de auto en de weinige visuele prikkels van buiten. Laura die een half uur lang probeert te bepalen of ik wakker gehouden moet worden met gesprekjes en/of versnaperingen (het is desondanks heel simpel: ik eet ’s ochtends om vier uur havermoutpap en daarna hoef je me diverse uren niet meer te voeren of te entertainen), het dan geleidelijk aan opgeeft en anderhalf uur onder zeil verdwijnt. Vervolgens een uurtje of vier heerlijk doorzoemen.
Maar nee, een lange colonne Hollanders met hun zwevende doodskisten verlaat het land, honderd kilometer later aangevuld met evenzovele Belgen. En waar diezelfde Nederlanders in eigen land nog wel eens de rechter rijbaan willen opzoeken na het inhalen, in het buitenland hoef je je niet te gedragen en het is toch Duitsland maar. Pas bij Karlsruhe zout het peloton op richting de Oost en breekt de rust aan.
Ik bedenk me ineens, zomaar, hoe fijn het zou zijn als mijn vader nog eens kon komen kijken in Cortemilia. Hoe hij aan de slag zou gaan met het bijschaven van deuren en het ophangen van lampen. Verder dan dat kom ik niet, want hij is al weer achttien jaar dood (aanstaande woensdag is zijn 85e verjaardag) en ik kan me nauwelijks bedenken hoe onze relatie zou zijn geworden en of we over het terrein zouden slenteren samen, pratend over fruitbomen en afrasteringen en everzwijnen en geld. Ik ben niet zo van spijt en van als-nou-eens, maar toch: het zou een mooi cadeau zijn geweest.
De reisdag is lang, maar we hebben het wel eens erger meegemaakt. Tegen half acht stappen we ons huisje binnen. Dat is even wennen: het is rommelig, viezig en de nieuwe pelletkachel is wel heel dominant aanwezig – hij is veel hoger dan we ons hadden voorgesteld, en staat niet tegen de muur. En de ventilator wordt gevoed door een stroomkabel die de huiskamer doorkruist omdat er geen stopcontact dichtbij is. Genoeg: geen goed idee, iets van iets vinden na een reis van veertien uur. Morgen ziet de wereld er sowieso heel anders uit.
Vandaag geprobeerd zondag te vieren, ondanks de stortvloed van dingen en dingetjes die de aandacht proberen te trekken: repareer mij! verfraai mij! ruim mij op! onderhoud mij! Toch erin geslaagd in het dorp cappuccino te drinken met hemelse cannoli erlangs, en als echte toeristen onze plaatselijke kasteelruïne te bezichtigen. En Laura heeft eindelijk (ongeveer) de uiteinden van het terrein waargenomen – er ook daadwerkelijk fysiek naartoe gaan is misschien nog een brug te ver. Wel heeft ze de keuken vanmiddag omgetoverd tot een comfortabele werkruimte – morgen of overmorgen de muren nog kersenrood verven en je wil er niet meer weg.
Was ik een betere schrijver, ik zou iets diepzinnigs zeggen over die prachtige schaduwen van onze bagage op de muur. Iets als “we zagen hoe ons lot zijn grillige schaduwen vooruit wierp, maar helaas, we beseften het niet.” En dan diepzinnig dus.
Het is onze voetbaltafel, samen met Damiano ontmanteld. Poten en stangen in zijn buik opgeborgen, zodat het geheel precies in de auto zou moeten passen. En veel te veel textiel daar bovenop. Wanneer houden we eens op met de achterbak vol te proppen met textiel? Waarschijnlijk zodra we kunnen onthouden wat we permanent in Cortemilia bewaren.
Jij, slimme lezer, hebt hieruit trouwens al afgeleid dat we volgende week zonder kinderen zullen reizen. Juud en Dami zien hun kans schoon om zich zonder moeilijke vragen voor- en achteraf in het Carnavalsgedruis te storten. En Chris heeft al netjes in z’n agenda geschreven wanneer hij thuis resp. bij Koen, resp. bij oma zal slapen. Die jongen komt er wel, let op mijn woorden.
Da auto zeurt de laatste tijd regelmatig dat er een storing is in het emissiesysteem. Aandachttrekkerij is dat, als je die lampjes negeert gaan ze na verloop van tijd vanzelf weer uit. Dat gebeurt natuurlijk ook als ik €1300,- uitgeef aan een geheel nieuwe AdBlue-tank. Maar sinds een ontwrichtende ervaring in Savona vorig jaar zomer, toen we het vehikel nog in blinde paniek en met het woord ‘Repatriëring’ op ons voorhoofd geschreven, bij een Peugeotgarage hadden achtergelaten, weten we wel beter: hij/zij/hun is helemaal klaar voor de reis – hopelijk geldt hetzelfde voor de reeks kilometerslange wegwerkzaamheden in Duitsland, waar nooit iets lijkt te gebeuren behalve langzaam rijden.
Nee, eerlijk is eerlijk, en alle onderkoelde formuleringen ten spijt: ik vind het best spannend. Elk jaar lijkt alles een beetje spannender te worden. Dat is een gekke paradox: steeds banger voor wat er kan gebeuren en steeds minder uit m’n evenwicht te brengen door wat er vervolgens echt gebeurt.
Hoe het ook zij, morgen plakken we ons Vignet 2022 achter de voorruit en beginnen we met bidden dat niet alle Nederlanders last-minute naar de wintersport willen.