Vandaag maak ik een nieuw begin. Ik spreek tot u vanuit ICE 849 van Duisburg naar Berlijn. Onze benen wordt nauwelijks meer ruimte gegund dan bij Ryanair, maar ter compensatie is er het landschap dat zich teruguit beweegt. Of, as we speak, station Bielefeld. Nog tweeëneenhalf uur te gaan.
Een nieuw begin zeg je? Ga je in Berlijn wonen? Nee, ik ga elke dag een dagboekfragment bloggen, in elk geval totdat we weer terug zijn uit Italië.
Ga je dat volhouden dan? Nee, waarschijnlijk niet. Het is wat ik nu hier poneer. Voornemens horen bij het leven en ‘het’ leven bestaat niet – leven wél, dat is de achterkant van een enorm wandtapijt: je kijkt naar duizenden losse eindjes draad van allerlei kleuren en steekt er her der nog wat draadjes bij. Wat de voorzijde verbeeldt, je hebt geen idee.
En wat is dan de connectie met deze site, met Italië, Italiaans en Cortemilia? Nou, onder andere dat dat we over veertien dagen daar hopen aan te komen, in het vroege ochtendlicht en het zoele zwembad. Een opwarmoefening dus. En het is ook buitenland, dus mijn grote dochter en ik kunnen het niet laten af en toe aan culturele generalisaties te doen. Als in ‘in Italië zou een trein nooit wegrijden voor de neus van een grote groep mensen die aan komen rennen vanaf een ander perron.’ (Dit gebeurde ons vanochtend in Viersen). Of ‘maar in Nederland wachten ze ook niet.’ Nutteloos gekakel, maar ja, onze geest is nu eenmaal getraind om door generalisaties ons eigen kleine gelijk te halen.
Hoe het ook zij, de Duitse jongen die tegenover ons zit en in Enschede muziekregistratie studeert, voorzie ik van stroom voor zijn mobiel. Hij moppert op het trage en formele Duitsland en op mijn vraag naar toeristische tips schakelt hij via Whatsapp de hulp van een paar vrienden in. Weer een barst in mijn vastgeroeste beeld van de Duitser.
Ik ga maar eens een mini-dutje proberen te doen. In een subtiele wolk van ‘wacky walnut’, de oudroze nagellak die Judith net zorgvuldig heeft opgebracht. Laten we hopen ter ere van een smashing city trip.
Jip wordt wakker. Hij rekt zich uit en stommelt dan de trap af. Naar buiten, want de zon is net gaan schijnen. Janneke zit op het terras. Ze kijkt uit over het dorp. Een mooi gezicht zo in het vroege ochtendlicht.
Je hebt een afspraak bij de kapper, zegt Janneke. Om half negen. En ik om half tien. Als jij nu te voet gaat, ga ik later met de auto. En als je dan klaar bent, neem jij de auto. En ik loop terug naar huis. Of anders neem jij de auto. Dan doen we het andersom. Jip vindt alles best, maar moet nog diverse alternatieven aanhoren.
Uiteindelijk komt puntje bij paaltje. Jip en Janneke gaan samen met de auto. Jip is dus als eerste aan de beurt. Zijn haar wordt drie keer gewassen, met steeds dezelfde shampoo die naar amandelen ruikt. Jip weet niet waarom. Hij heeft ook pijn in zijn nek, want het wasbekken staat op Italiaanse hoogte.
Dan gaat de kapper knippen. Knip knip doet de schaar. Knap knap doet de schaar. Het gaat allemaal héél precies. En héél langzaam. Maar Jip vindt dat wel fijn. Want in Nederland gaat alles rats rats. Tien minuten en 23 euro kost het daar. En dan sta je weer buiten. Deze kapper heeft een superklein schaartje. Om elk haartje dat een beetje uitsteekt een kopje kleiner te maken.
Ondertussen is Janneke alweer terug. Van zogenaamd boodschapjes doen. Maar eigenlijk wil ze veel liever zien hoe Jip geknipt wordt. Ze zit gezellig in de knipstoel naast Jip en babbelt met de kapper. Die loopt steeds weg. Om de telefoon op te nemen, of om Janneke een boek te geven. Met mooie kleuren die ze straks in haar haar kan laten smeren.
Het is reuze leuk. Veertig minuten duurt het feest. De kapper zegt tegen Jip dat hij elf uur per dag werkt. Dat gelooft Jip wel. Als je er zo lang over doet en toch een boterham wil verdienen. Logisch. De kapper vertelt ook dat alle Italiaanse mannen ’s avonds komen. Om geknipt te worden natuurlijk. En om even weg te zijn bij hun vrouw. Dat gelooft Jip ook wel.
Buiten maakt Jip een selfie. Hij probeert Italiaans te kijken. Maar dat mislukt. Toch wandelt hij tevreden de heuvel op. Terug naar zijn kettingzaag. Janneke blijft nog uren weg.
Een nieuwe lading haardhout. Stevige stammetjes van een centimeter of dertig, met een mooie compacte structuur. Volgens mij heb ik ze twee jaar geleden al gezaagd, toen we het huis net gekocht hadden. En ik twee weken als een gek met de kettingzaag in de weer was om de ongebreidelde natuur om ons heen in toom te krijgen. Overweldigd door de hoeveelheid werk, het jongensachtige plezier om met zo’n lawaaierige machine de boel te slopen – en natuurlijk het totale gebrek aan ervaring, had ik nauwelijks een plan. Overal op het terrein ontstonden hopen hout. Soms sleepte ik complete bomen naar het bos beneden, soms zaagde ik meer of minder nette stammetjes zonder precies te weten of ze in de open haard zouden passen en hoeveel ik überhaupt nodig zou gaan hebben voor een hele winter.
Van die hele winter is het nog niet gekomen, zolang het dak niet geïsoleerd is zijn we vooral hier tussen begin april en half oktober. Maar er blijven meer dan genoeg avonden over waarop het extra comfort van de haard welkom is. En waarom zou je de pelletkachel gebruiken als je zoveel hout hebt?
Dat overal en nergens ligt dus. En omdat het vandaag 25 april is, Bevrijdingsdag in Italië, en ik Chris beloofd heb dat we vandaag maar één, niet al te zwaar klusje gaan doen, is de slordige hoop achter het huis aan de beurt om te worden verhuisd naar een andere, beter georganiseerde en drogere plek. (Wat uiteindelijk ook de enige beweging is in dit universum, het verplaatsen van energie). Chris haalt de kruiwagen van boven, kruit alles naar de zijkant van het huis en ik stapel het op. Nu met enig beleid: naast de wie weet hoeveel jaren oude blokken en niet er bovenop. Die van vandaag moeten zeker nog tot aankomende herfst liggen voordat ze echt lekker branden denk ik.
Hoeveel jaren van een mensenleven duurt het voordat je de vervulling begint te ontdekken in het stapelen van hout?
Ik sla twee stammetjes op elkaar, het lijkt me dat dat mooi moet klinken. Dat doet het ook en ik roep naar Chris dat we in deze vakantie eens een reuzenmarimba moeten maken.
Het is raar weer. Dat zeggen ook de mensen in het dorp: te warm voor de tijd van het jaar. En ze praten over het uitblijven van de regen natuurlijk. Dat het feitelijk al twee jaar nauwelijks regent, en hoe bronnen waar tien gezinnen normaal van kunnen tappen, nog maar een dun straaltje water geven.
Het is waar, ik maak het zelf mee. Je hoort op 10 maart niet in je blote kont op een badlaken onder de net in bloei getreden amandelbomen te kunnen liggen zonnen. Mijn lijf is ook in de war, weet niet of het misschien ondanks de warme zon stiekem toch koud is en het morgen verkouden zal blijken. Of verbrand natuurlijk. Of is de zon daar dan weer niet warm genoeg voor? En het waait dat het een aard heeft, rechtstreeks uit Libië denk ik.
Laten we een stapje teruguit doen. Een ander moment van dag, de eerste cappuccino met cornetto bij Canobbio. Een andersoortig probleem. Het is namelijk fijn om dit ontbijtje (ik speel vals, heb al havervlokken met amandelmelk op – ik ben een Hollandse Italiaan) te eindigen met een slok koffie en het uitlepelen van het overgebleven melkschuim. Echter. Er zijn meer happen cornetto te vergeven dan slokken koffie. Dus zul je waarschijnlijk opperen: eet dan meerdere happen per slok koffie. Maar dat is niet het allerlekkerst. En bovendien is cappuccino in dit land zelden heel warm, dus te lang eten leidt tot te koude koffie.
Je raadt het al, ik ben dit keer in m’n eentje naar Cortemilia afgereisd en er is niemand die mijn wat autistisch getinte redeneringen beteugelt.
Komt ook omdat je in je eentje niet zozeer drukker bent met zorgen dat je met vliegtuig en huurauto op je bestemming geraakt, maar dat je geen moment kunt wegzinken in de comfortabele overtuiging dat je reisgenoot de volgende te nemen hobbel wel glad zal strijken.
Raar weer dus. Tot een uur of vier voor het huis zitten met een mok thee en een boek (over dat boek een volgende keer meer.) Dan verdwijnt de zon langzaam achter de heuvel waar je vanuit onze voordeur op uitkijkt en kun je op zolder nog vijf minuten uit het raam hangen, zachtjes stovend in de warmte die opstijgt van het dak van de keuken eronder. Daarna is het echt afgelopen met het hagedissenleven. Meteen de open haard aan, om straks behaaglijk te kunnen slapen.
Maar dat valt tegen vandaag. De harde wind blaast de rook terug de kamer in. En af en toe, met een plop, een handvol asvlokken. M’n ogen tranen van het onvrijwillig meeroken. Ik leg dus maar geen hout meer op het laag smeulende vuur en doe de pelletkachel aan.
Sinds ergens vroeg op de middag, na het klein zagen van een stapel enorme boomschijven (erfenis van een gevelde bijna dode boom voor het huis, en o ja, ik mag nu niet kettingzagen van mijn moeder, want stel je zaagt je been eraf en je ligt daar in je eentje en er is niemand in de buurt wat dan?? – ok, ze heeft wel een punt, ik doe dus héél voorzichtig), daalt de stilte in in m’n hoofd. De stilte waarin ik de dingen langzaamaan weer kan nemen zoals ze zijn en niet zoals ze moeten worden.
Zelfs uit eten gaan bij ‘i tre piasì’, wetende dat Mattias daar geen pizza’s meer bakt. Vamanos.
Ik sta. Ik werk. Mijn knieën protesteren zachtjes maar onophoudelijk tegen het feit dat ik meega in de overtuiging dat staand werken beter is voor een mens.
Op vrijdag sta ik korter. Dan moet er op tijd gekookt worden voor onze basketballende, slungelende zoon, die tegenwoordig dingen niet doet alleen omdat wij vinden dat hij ze wél moet doen. Andersom gelukkig (nog) niet zo vaak.
Meestal kook ik dan soep (‘zoep’ volgens Laura) en in de winter heel vaak zoep van pompoen, courgette en wat er overschiet aan restjes groenten, gevuld met rode linzen en kikkererwten. Lekkere luiïgheid op een werkdag – zaterdag is er nog tijd genoeg om wat fantasierijker te koken. (Overigens beschouwen onze twee bijna-volwassenen zoep niet als eten, zolang niet gevolgd door koolhydraatrijk voedsel).
Op tweede Kerstdag kookten Chris en ik voor veertien familieleden. Twee verschillende soepjes, arancini, mini-muntquiches en een peren-frambozensalade. Mijn Italiaanse familieleden hebben goede manieren, dat zeker, dus het eten en de koks werden luidkeels geprezen. We negeerden daarom met enig gemak het nauwelijks hoorbare weeklagen van hun Italiaanse zielen. Omdat er geen tortellini in brodo waren, lasagne al forno en polpettone.
Nee hoor, ik mag me graag ergeren aan de conservatieve Italiaanse cultuur, maar dit is overdreven. Er wordt zeker op Santo Stefano volop gevarieerd. En omdat de broekriemen gegarandeerd een gaatje losser moeten na de monsterlunch op eerste Kerstdag wordt er de dag erna meestal kwistig gekookt met restjes. En wij zijn van twee landen, dus we hebben geen schoonfamilie die een dag later de andere schoonfamilie wil overtreffen in overvloedigheid.
Rome charmeerde me meer dan anders. Zeker na een dagje uit naar Napels, waar we een dagje optrokken met Osse vrienden die er die week ook waren. Vergeleken met die stad, met z’n getoeter, kamikaze-scooters en walm van uitlaatgassen (aan wie Napels liefheeft, beschrijf ik hem als ‘levendig’ hoor) is Rome een oase van rust, ruimte en groen. En goede bedoelingen zoals fietspaden (zie foto), die meestal gesmoord worden in de alomvattende gewoonte om dingen vooral te laten zoals ze zijn. En je niet in te laten met nieuwlichterij, zeker niet wanneer die een zekere vorm van inspanning vereist respectievelijk niet wordt betaald door de EU.
Het lukte me zelfs om er een middagje alleen op uit te gaan: eerst met de metro naar station Piramide en dan een wandeling richting het Circo Massimo. De Aventino op, een district waar de tijd stilstaat en waar ik een kwartier lang geheel alleen in de kerkbanken van de Sant’Anselmo kon zitten contempleren. Wat bijzonder is voor zo’n prachtige plek (godzijdank is deze kerk niet barok), maar hé, dat is het voordeel als je 900 kerken binnen je gemeentegrenzen hebt – er is er altijd wel eentje helemaal leeg.
En dan de heuvel weer af, langs de rivier naar Trastevere en via Campidoglio naar het ongetwijfeld drukste metrostation van Rome, dat tegenover het Colosseum. Ik hoef gelukkig niet te pretenderen dat ik de door toeristen onopgemerkte geheimen van de stad ken, ik loop graag bekende wegen. En ondanks mijn sinds ruim 20 jaar getroebleerde blik kan ik steeds beter zien hoe mooi deze stad is. Zelfs zonder fietspaden.
Dat je doelloos mag zijn
- want het doel is het einde van de weg
en er is geen weg -
de weg is als water dat langs rotsblokken de berg
afstroomt
en verdeeld in duizend stroompjes bruisend, spattend
altijd weer hetzelfde water is,
zich neervlijt in de zee,
vorm lijkt aan te nemen in een golf
en dan opgaat in de oceaan die het al was vanaf het begin.
Dat je niet iemand mag zijn:
huis zonder muren, huis zonder dak,
waar de wind die het rumoer aanwaait
en de zon die de beelden schept
vrijuit schijnen en waaien, geen enkel spoor
achterlaten
in de lege ruimte die je al was vanaf het begin.
Dat je tenslotte stil mag zijn,
stiller dan het water, stiller dan de wind en de zon
- stiller zelfs dan de tijd
en er is geen tijd -
zó stil dat je de weg kunt zien die je bent
en waarop niemand kan verdwalen.
Ik heb een oudemannetjesgen. Dat weet ik al sinds ik twaalf was, toen ik bedaagde gesprekken voerde over vingeroefeningen van Brahms met mijn bebaarde, pijprokende pianoleraar in zijn met kurk beklede leskamer. Maar ja, je weet hoe dat gaat: je doet mee met het leven omdat iedereen dat van je verwacht. En wanneer je er achter komt dat er eigenlijk niemand is die iets van je verwacht, is het te laat om nog op te houden met doen alsof.
Op zaterdagochtend sla ik mijn dagelijkse yoga-oefeningen over, eet mijn havervlokken met sojamelk een slagje trager dan anders, trek m’n schoenen en jas aan en wandel in meditatiemodus richting centrum. In deze modus spoelen de geluiden van langsrijdende auto’s en mijn voeten op het asfalt van het wandelpad mijn door hoogmoed ingegeven gedachten weg. Voor een seconde of wat, dat wel. En na even weer voor een seconde of wat. Het leven bestaat uiteindelijk uit niet méér dan stroming.
Vrijwel exact om negen uur loop ik bij Arnoud binnen. (Naar goed Italiaans gebruik duiden wij koffiebars en kleine winkels in Oss ook bij voorkeur aan met de naam van de eigenaar. En plekken met een omschrijving als ‘net voorbij Gian Mario op dat pleintje links bij dat lelijke uithangbord’.) Aan de lange tafel links zit meneer van de Ven, een oude man met net te hippe hoge schoenen. Hij zit daar iedere zaterdag. Het tafeltje bij de trap kent een wisselende bezetting, maar is ook nooit leeg. En zelf kies ik de bank meteen rechts van de ingang. Er wordt vriendelijk gegroet. Met Arnoud bespreek ik het vooruitzicht dat de kussentjes op het terras vandaag wel op de stoelen kunnen: het lijkt een mooie dag te worden.
Meestal liggen ze er al, maar vandaag zitten we even doelloos voor ons uit te staren. Na een paar minuten komt de mevrouw van Derijks met drie kranten binnen: de Telegraaf gaat naar meneer van de Ven, het Brabants Dagblad naar de wisselmevrouw en voor mij is er de Volkskrant. En een cappuccino en een glas water.
Ik draag een soort van motorjack (weet niet waarom, ik draag eigenlijk altijd jassen die anderen niet meer wilden maar die heerlijk zitten.) Met op de rechter revers een stoere borstzak, waaruit een helderrood hoesje piept waarin een leesbril. Want het is jammer, maar ik kan de krant alleen nog zonder bril lezen bij overvloedig licht. Dus dan hef je je hoofd op om nog een koffie te bestellen, ziet de wereld door een soort wazige hoofdpijn en besluit om dan maar zonder verder te lezen.
Om tien uur is het ineens over. Terwijl ik de column van Ionica Smeets zit te lezen, zie ik uit m’n ooghoek dat ik nog de enige bezoeker ben. Dat is natuurlijk niet de bedoeling. En bovendien, de zaterdagkrant is sowieso altijd veel te veel. Ik sta op, reken af en neem de groeten aan Laura mee. Drijf verder langs Bakker Bart en keer met twee geurende broden onder de arm huiswaarts.
Ik denk dat ik het wel ga redden in Cortemilia, later.
ooit was hier… u raadt het aleerste kruidentuintje: salie en rozemarijnzoals je ijsjes eet in Romestervende hommelil mondo sospesode eerste (en laatste) amandelentwee oudjes voor het open haardvuureindelijk hebben ze dat lelijke plein in Alba opgeknaptbicerin in Middeleeuwse contextLaura in Middeleeuwse contextehh… traprondom het kasteel van Grinzane Cavour…en van een afstandjedezelfde foto van dezelfde oprijlaan – maar dan net anderskoudetherapie in je blote kontbinnen is het warm en gezellig, buiten raast de haakse slijper
onze poort bij maanlicht; foto van Chantal Broeders
Kwart over zes ’s morgens, zaterdag in Cortemilia. We rijden ons dorp binnen langs de lange door platanen omzoomde invalsweg. Het is oktober, dus nog stikdonker, we zijn gaar van het rijden en de gestolen kwartiertjes slaap, maar blij om bijna thuis te zijn. Maar voordat we het laatste stukje weg heuvelop draaien, parkeren we op het centrale pleintje van het dorp en wandelen we naar Bar Nazionale. Het was mijn diep gekoesterde wens om ooit nog zo vroeg buiten de deur koffie te gaan drinken. En aangezien ik verder alleen hoogstens eens per jaar rond dit tijdstip mijn bed uitkom, voor de Metten in een of ander klooster, is het dus nu of nooit.
De bar (die je eigenlijk met een archaïsche term als ‘koffiehuis’ zou moeten aanduiden) is behoorlijk vol. Groepjes mannen met oranje hesjes zitten te kletsen bij hun cappuccino met cornetto voordat ze zich aan bruggen, kruispunten en omgevallen bomen zullen gaan wijden. Een enkele vrouw loopt binnen en kletst wat met de opvallend goedgemutste en energieke barista. Voor de deur staat een groepje mensen te wachten op een touringcar die ze naar Medjugorje gaat brengen (voor de heidenen onder u: dat is een bedevaartsoord in Bosnië-Herzegovina (voor de onwetenden onder u: ze maken alweer volop ruzie op de Balkan, laten we hopen dat daar na Maria ook nog wat gezond verstand mag verschijnen)).
Er zijn weinig dingen fijner dan je versufte lichaam en geest weer aan de praat te krijgen met Italiaanse koffie en krakend verse zoetigheid, zonder méér verplichtingen dan de vorsende blikken van werklui met een vriendelijke hoofdknik te beantwoorden en bij het weggaan een christelijk bedrag te betalen voor het fijnste moment van de dag. In your face Nederland.
Mede dankzij de cafeïne-start weersta ik de rest van de zaterdag de bij tussenpozen opvlammende slaperigheid. Terwijl Laura een paar uurtjes gaat slapen wandel ik tegen half negen naar beneden en bel aan bij het huis van Willy. Het water dat uit de tuinslang komt is nogal bruinig en het zwembad moet dringend bijgevuld – dus er dient raad gevraagd te worden aan Cortemilia’s bloedeigen peetvader. Willy’s vrouw Franca doet open en zegt dat haar man ergens aan het werken is. Na een tweede cappuccino, ditmaal bij La corte di Canobbio, bel ik hem. Het blijkt dat het echtpaar is de tussentijd al naar ons huis is gereden, maar onverrichterzake aan het terugkeren is omdat niemand open deed. Zoals die dingen gaan kom ik hun stokoude donkerrode Panda vervolgens tegen op de brug bij het kerkhof wanneer ik op huis aan ga. We kletsen even en maken vage afspraken over het oplossen van het tuinslangprobleem en andere niet heel belangrijke issues.
Onder de bagageruimte van de auto, waar bij een Peugeot geen reserveband zit maar behoorlijk wat ruimte om kleinere spullen in op te bergen, zat ook ons pas aangeschafte kluisje. In de afgelopen maand heb ik driftig gepind, zodat we in elk geval een deel van de opgebouwde contante schulden kunnen gaan aflossen in deze week. Allemaal nette rolletjes met een stiekje er omheen en een Post-it er op met het betreffende bedrag. Ik voel me er niet rijk door, eerder bezwaard. We willen er vanaf.
Na het uitzenden van Whatsapp-signalen druppelen er ’s middags daarom wat mannen binnen: Paolo de elektricien met zijn zoon, Elia de metselaar. Gino, de buurman met de beste tomaten in de wereld, komt sowieso als bij toverslag altijd aanwaaien als er iets te doen is. Toevallig komen ze ook allemaal vrijwel op hetzelfde moment, dat gebeurt hier vanzelf. We drinken koffie in de stralende zon (’s ochtend hebben Laura en ik nog een uurtje liggen bakken en zelfs een duik genomen in het, overigens ijskoude, zwembadwater) en we wisselen ideeën uit over bewakingscamera’s en de wenteltrap die we willen installeren in het oude huis. Het afrekenen gaat vergezeld van verdere wederzijdse ontboezemingen en het afspreken van weer nieuwe klussen: Paolo belooft al onze foeilelijke lichtschakelaars te zullen vervangen en Elia om het zijterras vóór de winter zodanig aan te smeren dat er hopelijk geen vocht meer zal binnensijpelen in de tavernetta.
De dag gaat verder heen met opruimen (je zult het niet geloven, maar je kunt hier al je tijd verdoen met alleen maar opruimen – dat wil zeggen, spullen verplaatsen van a naar b), de forsythia snoeien zodat hij in het voorjaar weer compact uit gaat groeien en het opzuigen van bedwantsen. Ons laatste wapenfeit van deze zaterdag is eten bij I Tre Piasì, het in april geopende pizzeria-ristorante, waar onze inmiddels favoriete Argentijnse pizzabakker werkt. Het eten is er extreem goed en heel betaalbaar. En met ons allerlaatste restje energie slagen we er zelfs nog in om luchtige grappen te maken tegen de serveerster. Ik bedoel maar, wat een helden zijn wij toch.
Mijn vrouw en ik hebben besloten niet meer aan huwelijkscrises te doen. Net zoals we eerder al met corona gestopt waren. Het is vermoeiend. En, in tegenstelling tot wat veel mensen beweren, word je er géén beter mens van. Wel zullen we op geregelde basis tegen elkaar blijven schreeuwen, de ander ervan beschuldigend dat hij/zij alleen maar aan zichzelf denkt dan wel eens wat empathischer zou mogen zijn. Dan wel, et cetera, we hebben niet perse een hele originele relatie.
Uit de afgelopen nogal stressvolle zomer werd dus ook geen crisis geboren. Maar wel stevige woordenwisselingen – de precieze aanleiding doet er, zoals meestal, niet zo erg toe. En er kwam er een bijzonder besluit uit voort: na 22 jaar gaan we Nederlands praten met elkaar!
In den beginne sprak ik houtje-touwtje Italiaans. Dat gecombineerd met wonen, werken, vader worden en tombola spelen met mijn gekke schoonfamilie, allemaal in Italië, leidde tot een permanente staat van stress. Toch was ik ook trots. Ik was gefascineerd doordat zich in die wolk van onbegrijpelijk gebrabbel langzaamaan steeds meer werkelijkheid aftekende. Na verloop van tijd kon ik iets zeggen dat betekenis bleek te hebben. En ik begreep het antwoord, dat wonder boven wonder over dezelfde werkelijkheid bleek te gaan. Of in elk geval léék te gaan.
Inmiddels heb ik m’n eerste gedicht in het Italiaans geschreven. Ook weer onbegrijpelijk vermoed ik, maar nu niet door mijn gebrekkige beheersing van de taal. (Diepzinnig of ijdel, ik laat het oordeel graag aan de lezer over).
En toch. Taal is innig verbonden met je persoonlijkheid, maar ook met je culturele achtergrond. Na het leren dat de namen van alle vruchten in het Italiaans vrouwelijk zijn, behalve die van de vijg, volgt nog een eindeloze weg waarop je moet leren hoe je praat tegen een kind, de dokter, tegen vrienden in de bar. Dat Italianen grote woorden gebruiken voor kleine gebeurtenissen, en andersom. Dat wil zeggen, groot en klein zoals de gemiddelde Nederlander ze ervaart. Dat mijn ironie misschien als cynisme klinkt ten zuiden van de Alpen en dat Italianen vaak klinken alsof ze ruzie maken (wat ook zo is, maar ruziën is dan weer vaker onderdeel van een normale sociale omgang met elkaar.) Ik ben voorlopig nog niet uitgeleerd.
Hoe het ook zij, het voelde bijzonder om voor het eerst een woordenwisseling te hebben in mijn moedertaal. Het voelde kaler, kwam dichterbij dan anders – ik kon niet meer schuilen achter woorden die de ander hard raken maar mij veel minder. En het bracht een gevoel van balans, dat ook.
We zullen zien hoe het gaat. Laura had zich al heel lang afgevraagd wat ‘una scopata’ in het Nederlands betekent. Na naarstig nadenken en vruchteloos tegenwerpen dat daar eigenlijk geen goed zelfstandig naamwoord voor is, kwam ik op de proppen met ‘een wip’.
Ik moest erg, zij het beschaamd, om mezelf lachen.