Het is ruim na de lunch en ik zit op het terras te schrijven. Het weer staat stil: een grijs, met lichtere vlekken bezaaid wolkendek dat laag boven Cortemilia hangt en aan de overkant van de vallei uitzakt over de toppen van de heuvels. Ver beneden rijden speelgoedautootjes door de bocht van de weg die de rivier volgt, met bomen omzoomd.
Het regende niet vanochtend, toen ik na het mediteren naar het dorp wandelde, maar ik voelde mijn wenkbrauwen nat worden van de mist. In de ochtendstilte verzamelde het vocht zich op de bladeren van de bomen, om dan als volgroeide druppels op de grond te vallen. Dat was alle regen die er was. Eraan terugdenkend komt van Schendel in gedachten, Kloos, Roland Holst. Toen niet, toen was er de rust van de vroege ochtend en de rust in het hoofd, wat stijfheid, wat pijn in de rug van het eindeloze wandelen door Venetië afgelopen zondag.
Later liep de buurman binnen en wees terloops op twee trossen blauwe druiven aan de verwilderde struik die tegen het hekwerk groeit. Twee maar, en een paar druiven waren al aan het beschimmelen, maar de rest was zoet en sappig. Ik had net een nieuwe snoeischaar gekocht en heb de ranken netjes ingekort. Daarna aan de slag gegaan met de stokoude en verwaarloosde peren- en appelbomen: toppen eruit, scheuten aan de binnenkant van de stammen eraf, lange uitlopers ingekort tot vlak achter een oog dat naar beneden wijst.
Morgen zijn de pruimenbomen aan de beurt. Er is veel op ons terrein om aandacht aan te geven. Misschien zien we dat volgend jaar terug in volle kratten en gezonde bomen. Maar nu is er frisse lucht, en bezig zijn, en langzaamaan verbonden raken met deze aarde hier.