Dode dennen

Deze titel doet associaties opkomen met trage Zweedse films in zwart-wit. Waarin iedereen depressief is, en de gelukkigste mens tenminste minutenlang zwijgend langs de camera af kijkt. Echter, hier alleen zonnig geluk. Nou ja, een klein beetje verdriet is er wél. Bij de buurman, wiens terrein volstaat met sparren en verder eigenlijk niets. Het schijnt dat naaldbomen, waarvan wij er ook een paar honderd hebben staan, hier oorspronkelijk nauwelijks of niet groeiden. Dit is het territorium van eiken, esdoorns, linden en populieren. In de jaren zestig leek het de bosbeheerders een goed idee om die flora aan te vullen met naaldbomen: spar, lariks, grove den, zilverden. Jammer genoeg wortelen die heel oppervlakkig en waaien dus af en toe zomaar om bij de windhozen die hier best vaak voorkomen. En of het een nawee is van de hele droge jaren ’22-’23 of van een insect dat schijnt rond te waren weet ik niet, maar de een na de andere boom legt dit jaar het loodje.

De buurman dus. Die moet nu elke paar maanden iemand laten komen om er weer een paar te laten omzagen. Dat worden hele dure jaren, maar hij kan het nog niet over z’n vriendelijke hart verkrijgen om de boel in één keer te kappen en een heel ander soort tuin aan te leggen.

Wijzelf hebben een all-in-one deal gesloten met een bosman, Enrico genaamd. Voor een overzichtelijk bedrag gaat hij alle naaldbomen in het bos boven, in dat beneden én in de ‘tuin’ (blijft een raar woord, we hebben hier eigenlijk geen tuin, meer een fluïde overgang van natuur naar tegels naar zandpad) eruit halen en aan de zagerij verkopen. Omdat-ie daar natuurlijk voor betaald krijgt, kan hij voor niet al te veel geld dat hele werk aannemen. Inclusief, en dat doet míj dan weer een beetje pijn, de prachtige Himalaya-ceder achter het huis, een krijger van een meter of veertig, vijftig hoog – maar ja, als diens gewonde kompanen eromheen gekapt zijn weerstaat hij in z’n eentje waarschijnlijk de volgende windhoos niet.

En passant gaat ook de ‘gewone’ (waarom dat gewoon is weet ik niet) esdoorn naast het huis eruit, die met die helikoptertjes die het hele jaar door jammerlijk neerstorten in het zwembad. En her en der nog wat afgetakelde fruitbomen die jarenlang geen of te weinig liefde hebben gehad. Fare piazza pulita dus, schoon schip maken in het Italiaans. Heel langzamerhand wordt het terrein een beetje parkachtig, met verspreide bomen waarvan ik het onderste deel van de stam vrijmaak en er een mooie boomspiegel omheen maai.

In de eerste zomer dat we hier waren, meteen nadat we het huis gekocht hadden, leverde ik een verbeten strijd tegen de natuur: een monster dat ons dreigde te verslinden en meer koppen had dan ik jerrycans benzine voor de kettingzaag. De bamboe en, daar is-ie weer, de esdoorn, die twintig centimeter gegroeid zijn in de tijd dat jij koffie bent gaan drinken, waren het meest bloeddorstig.

Ik geef toe, op dit vlak ben ik blijkbaar een trage leerling, pas in de alweer vierde zomer dat we hier mogen zijn begin ik te zien waar rigoureus gehakt, geknipt en getrimd moet worden en waar je daarentegen je handen thuis moet houden en de natuur z’n ding moet laten doen. Zo bleken onder het onkruid in het perk boven de voortuin hortensia, wilde munt, salvia en forsythia te vegeteren (haha). Nou, die ken ik nog uit mijn vaderland, dus de rest fluks weggetrimd en deze vier krijgen nu elke dag water. In de hoop dat ze bij onze terugkomst volgend jaar de strijd zullen hebben gewonnen en nog afzonderlijk herkenbaar zijn. Nieuwe aanplant is overigens, zoals duidelijk moge zijn, dan weer een brug te ver. We zijn al blij als Gino onze twee potten met rozemarijn af en toe blijft begieten.

Kortom, u zult uw ogen weer eens niet geloven.

Plaats een reactie