
Ik zit op het terras van rifugio Pian delle Gorre, een berghut op precies 1032m in een natuurgebied op de grens van Italië en Frankrijk. ‘Berghut’ is een rijkelijk romantische aanduiding voor een hotel restaurant waar alleen de drie soorten polenta op de kaart nog doen denken aan plastic bestek en uitzicht op sneeuwvelden vanuit een kamer met twee stapelbedden. Mijn uitzicht is een glooiende bergweide, dat wel, maar dan met grote bomen die schaduw bieden aan picknickende, luierende en soft tennis spelende gezinnen en vriendengroepen. En ik eet dus geen polenta, maar een hamburger met frites – geen behoefte vandaag aan lokale gerechten (o ja, álles in Italië is lokaal, en dat feit krijg je ook tot vervelens toe onder de verwende neus gewreven).
De hamburger is lauw en de frites bijna koud trouwens. Ik ben een slechte solo-reiziger, want weinig assertief, maar nu heb ik toch maar even gevraagd of mijn bestelling er aan komt, want zelfs met langzaam drinken is mijn Leffe Rossa al lang en breed op en de alcohol heeft slaapverwekkende effecten op de lege maag. Er blijkt ‘een fout gemaakt met het tafelnummer’, vandaar het niet warme eten (hoe werkt dat, heeft dat bord dan tien minuten op een verder lege tafel gestaan?) Ik weerhoud mezelf er van al te veel inwendig te mopperen op personeelsgebrek en de mentaal beperkte en veel te jonge bediening en eet gewoon alles op.
Vanochtend om half zeven afgesproken met buurman Gino en diens vriendin Floriana op het centrale plein van Cortemilia en door een miljoen bochten hier naar toe gereden, samen met de twee zonen, die voortdurend de verkeerde muziek opzetten resp. Duolingo Spaans studeren resp. beide zaken combineren. Verder hebben ze geen wandelschoenen, maar dat blijkt geen enkel probleem gelukkig: het is flauw en banaal om leeftijdsverschillen steeds uit te meten, als gespreksonderwerp tussen mensen van boven de 50, maar het is verbijsterend (en mooi om te zien) hoe ze 1200 meter hoogteverschil overbruggen op kapotte gympen en dan in de tussentijd ook nog springen, rennen en mini-lawines proberen te veroorzaken met losliggende stenen.
We wandelen op een voortdurend stijgend pad naar boven. Ik voorop, want omhoog lopen is mijn specialiteit, met de jongens vlak achter me. En ver daarachter Gino en Floriana, want Gino heeft het laatste jaar veel aan conditie ingeboet – hij heeft last van lage bloeddruk en is natuurlijk ook gewoon al bijna 70. Elke paar honderd meter wachten we, totdat de compagnie weer gehergroepeerd is. De omgeving is echt schitterend, met hoge bergpieken, ravijnen, bossen en watervallen. Het weer werkt volop mee – behalve voor mij, want ik had vanochtend het dwaze idee dat het in de bergen heel koud zou zijn en heb een lange spijkerbroek aangetrokken; nu loop ik voor joker tussen alle sportbroekjes en heb het bovendien erg warm. Met mijn vorige week gevonden en netjes opgeschuurde wandelstok van kersenhout lijk ik zodoende meer op een pelgrim dan op een moderne bergwandelaar (daarvan zijn er trouwens iets te veel naar mijn smaak, dit is een heel populair gebied).
Zo rond de 1500 meter haak ik af. Niet omdat het klimmen niet meer lukt, maar omdat m’n rechterknie pijn begint te doen. Een oud fenomeen, dat overigens niks met ouder worden te maken heeft, maar met een rafelig randje aan mijn knieschijven. Die hebben me ooit uit militaire dienst gehouden, maar zijn nu vooral hinderlijk: als ik ze teveel belast, vooral bij afdalingen, kan ik rekenen op zes weken strompelen. Dat heb ik er in de vakantie niet voor over, dus ik laat de andere vier verder lopen naar het einddoel, een andere rifugio, en daal met een broodje en een flesje water op m’n dooie gemak af.
Heerlijk, weer even alleen zijn. Als ik terug ben bij de waterval en de snelstromende beek daaronder, ergens halverwege de weg terug, klauter ik over de grote keien naar de rand van het water, leg al m’n kleren te drogen en ga zitten met de voetjes bungelend in het ijskoude water. Bergbeken behoren voor mij tot de meest magische plekken op aarde: het ruisen en bulderen, het vallende schuimende water, de diepe en glasheldere poelen die door dat water zijn uitgeschuurd, de koele bries die door al dat stromen wordt opgewekt. Ik was mezelf van top tot teen, droog op in de al flink warmer wordende zon en kleed me weer aan.
Terug in het basiskamp eet ik dus hamburger. En daarna kies ik een mooi plekje uit in de schaduw en doe een dutje. Om een uur of vier komen Gino en Floriana terug. De jongens zijn ze kwijt, maar we vermoeden dat die de rifugio links hebben laten liggen en doorgelopen zijn naar de auto. We dalen dus met z’n drietjes het laatste stuk af en vinden hen inderdaad bij de parkeerplaats terug. Ze zijn zo verstandig geweest maar vast een ijsje te gaan eten.
Op de terugweg zet Damiano gelukkig muziek op die papa ook kan meezingen, dus we komen gelukkig en luidkeels zingend Cortemilia weer binnenrijden.