
Mijn vrouw en ik hebben besloten niet meer aan huwelijkscrises te doen. Net zoals we eerder al met corona gestopt waren. Het is vermoeiend. En, in tegenstelling tot wat veel mensen beweren, word je er géén beter mens van. Wel zullen we op geregelde basis tegen elkaar blijven schreeuwen, de ander ervan beschuldigend dat hij/zij alleen maar aan zichzelf denkt dan wel eens wat empathischer zou mogen zijn. Dan wel, et cetera, we hebben niet perse een hele originele relatie.
Uit de afgelopen nogal stressvolle zomer werd dus ook geen crisis geboren. Maar wel stevige woordenwisselingen – de precieze aanleiding doet er, zoals meestal, niet zo erg toe. En er kwam er een bijzonder besluit uit voort: na 22 jaar gaan we Nederlands praten met elkaar!
In den beginne sprak ik houtje-touwtje Italiaans. Dat gecombineerd met wonen, werken, vader worden en tombola spelen met mijn gekke schoonfamilie, allemaal in Italië, leidde tot een permanente staat van stress. Toch was ik ook trots. Ik was gefascineerd doordat zich in die wolk van onbegrijpelijk gebrabbel langzaamaan steeds meer werkelijkheid aftekende. Na verloop van tijd kon ik iets zeggen dat betekenis bleek te hebben. En ik begreep het antwoord, dat wonder boven wonder over dezelfde werkelijkheid bleek te gaan. Of in elk geval léék te gaan.
Inmiddels heb ik m’n eerste gedicht in het Italiaans geschreven. Ook weer onbegrijpelijk vermoed ik, maar nu niet door mijn gebrekkige beheersing van de taal. (Diepzinnig of ijdel, ik laat het oordeel graag aan de lezer over).
En toch. Taal is innig verbonden met je persoonlijkheid, maar ook met je culturele achtergrond. Na het leren dat de namen van alle vruchten in het Italiaans vrouwelijk zijn, behalve die van de vijg, volgt nog een eindeloze weg waarop je moet leren hoe je praat tegen een kind, de dokter, tegen vrienden in de bar. Dat Italianen grote woorden gebruiken voor kleine gebeurtenissen, en andersom. Dat wil zeggen, groot en klein zoals de gemiddelde Nederlander ze ervaart. Dat mijn ironie misschien als cynisme klinkt ten zuiden van de Alpen en dat Italianen vaak klinken alsof ze ruzie maken (wat ook zo is, maar ruziën is dan weer vaker onderdeel van een normale sociale omgang met elkaar.) Ik ben voorlopig nog niet uitgeleerd.
Hoe het ook zij, het voelde bijzonder om voor het eerst een woordenwisseling te hebben in mijn moedertaal. Het voelde kaler, kwam dichterbij dan anders – ik kon niet meer schuilen achter woorden die de ander hard raken maar mij veel minder. En het bracht een gevoel van balans, dat ook.
We zullen zien hoe het gaat. Laura had zich al heel lang afgevraagd wat ‘una scopata’ in het Nederlands betekent. Na naarstig nadenken en vruchteloos tegenwerpen dat daar eigenlijk geen goed zelfstandig naamwoord voor is, kwam ik op de proppen met ‘een wip’.
Ik moest erg, zij het beschaamd, om mezelf lachen.

Mijn God !!’
😂
LikeLike