
Stel je voor: je staat aan de rand van een niet al te brede sloot. In die sloot zwemt een mensenetende haai (de sloot is natuurlijk wel heel diep hè, die haai moet ook een beetje kunnen zwemmen). Om de een of andere reden moet je naar de overkant. En springen is de enige manier om dat te doen.
Er is geen enkele reden waarom je in de sloot zou vallen en het loodje legt: het is maar een kleine sprong.
En toch. Je staat je daar zwetend af te vragen of het wel kan. Of je niet zult struikelen terwijl je springt, of dat je toch ineens door een bijzonder soort zwaartekracht naar beneden getrokken zult worden. Je spieren zijn onnodig strak gespannen, je geest meer gefocust dan nodig.
Terwijl de opgave toch zo eenvoudig is.
Net terug van een vakantie in een vakantie. Maandag kwamen Judith en Damiano aan in Venetië, de een ’s middags vanuit Rome met de trein, de ander ’s avonds met het vliegtuig uit Lissabon. De een zoals gebruikelijk gebronsd en ontspannen, de ander nog niet bijgekomen van het doorzakken in Albufeira. Het moderne gezin.
Alles loopt dit jaar anders dan anders (maar wanneer niet eigenlijk?) Drie dagen in Cortemilia met z’n drieën, nog in de roes van werk en andere beslommeringen, voorbereiden, reizen. ’s Morgens om kwart over vijf, boven de heuvels aan de overkant van de vallei wordt het net licht, de eerste duik in het fluweelzachte water van het eerste zwembad, pas veel later oppert Laura dat we ook de sleutels hebben van het chalet daar. Who cares, alle nachtelijke monotonie spoelen we van ons af.
Rondje lopen rondom het huis. Mijn geest registreert onmiddellijk dat Gino het gras voor het huis heeft gemaaid, net als zijn eigen terrein, dat er prachtig bij ligt. En ook: de rommel, het vuil, alles wat moet en alles wat zou kunnen en alles wat we zeker niet gaan doen. Schakel terug, zet koffie, begin de dag.
We komen deze eerste dagen het terrein bijna niet af (in Nederland zou ik gezegd hebben: de deur niet uit – maar dat is hier een hopeloos understatement). Laura gaat de onroerend goedbelasting betalen op het gemeentehuis, ik betaal online een verkeersboete van vorig jaar, de opstalverzekering en nog zo wat. Hoewel we van alles doen staat de tijd in de wachtstand. We brengen alles op orde, van de keuken uit naar buiten, in steeds groter wordende cirkels – dat lijkt een goede strategie. Voorlopig niet verder dan een meter of twintig rondom het huis, de rest is voor later. Behalve om de pruimenbomen te inspecteren, en de hangmat (in onze afwezigheid is een van de twee bevestigingsbanden gestolen, alweer wat geleerd voor de volgende keer), en het afval dat de zwembadmensen achter hebben gelaten.
Mijn geest blokkeert automatisch alle inkomende gedachten rondom werk en huis in Oss. Zelfs al blijf ik m’n inkomende privé-mail lezen en antwoord ik op een verdwaalde Whatsapp van een van mijn opdrachten. Ik ben benieuwd of en wanneer alles weer terugkeert. Pas na een paar dagen komt de vermoeidheid. Zoals met alles is het ook daarmee een kwestie van in het gezicht aankijken, verwelkomen, accepteren, en dan laten gaan.
Dat geldt ook voor de berichten die arriveren, zo rond Christians verjaardag: een oom van Laura overlijdt, nonna is gevallen na een hersenbloeding en ligt in het ziekenhuis, zio Paolo heeft een verhoogde PSA-waarde (en blijkt een week later prostaatkanker te hebben, een trombose in het been én een longembolie). Laura reist naar Turijn voor de begrafenis van haar oom – en is vanaf dan verzonken in gedachten. Hoe zeer ze ook probeert vast te houden aan het vakantiegevoel.
De plannen veranderen nu per dag: meteen naar Rome afreizen, even wachten, vanuit Venetië gaan, of eerst samen terug naar Cortemilia en genieten van de enige vakantieweek die we met z’n vijven hadden gepland. Uiteindelijk kiest ze ervoor om in elk geval met ons naar Venetië te gaan. Een vakantie in een vakantie. En dan verder kijken.